De heuvel van Chelm

Uit: De Topografie van de Domheid


Een Joodse legende wil dat een engel met twee zakken naar de Aarde werd gestuurd. In de ene zak zat Wijsheid, in de andere Domheid die hij gelijkelijk over de mensen moest verdelen. Maar hij struikelde over een berg en de zak met Domheid liep leeg in Chelm, de spreekwoordelijk domme plaats van de Poolse Joden. (Noah Pryłucki Khelemer naronim, 1917)
In een variant draagt de engel drie zakken: een met dommen, een met wijzen en een met mensen die wijzer zijn dan wijs. Dat zijn de betweters of ingewijden in een goddelijke wijsheid, die door de mensen voor dwaas worden gehouden; misschien gaat het om mensen die inzien dat er geen wijsheid is buiten de vergeefse pogingen greep te krijgen op de domheid. (Yekhiel Yeshaye Trunk Khelemer Khakhomim, 1951) Vanuit Chelm heeft de domheid zich over de wereld verspreid.
‘Chelm’ betekent overigens ‘berg’; Chelm is het skandalon.

Intelligente domheid: de schepping van de mens

Voor Brigitte Louter

Domheid is geen gebrek aan intelligentie, integendeel; domme mensen zijn juist gevaarlijk omdat ze intelligent zijn, en des te intelligenter, des te rampzaliger de gevolgen van hun domheid.
Hoe te verklaren dat de mens tegelijk dom en intelligent is? De ‘orfische’ mythologie biedt een evident absurde verklaring voor dit onoplosbare probleem.

Oppergod Zeus castreert zijn vader en schept de wereld. Hij geeft de macht over de aarde aan het kind Dionysos Zagreus dat hij bij zijn dochter Persephone heeft verwekt. Zijn jaloerse echtgenote, de godin Hera stuurt barbaarse Titanen om het kind te vermoorden. De reuzen smeren zich in met gips om onzichtbaar te blijven, lokken het godenkind met dobbelstenen, ledepoppen, een bromhout, een bal, een tol, een vlokje wol, een gouden appel, en een metalen spiegel. Als Dionysos gebiologeerd naar zichzelf staart, snijden de Titanen hem de keel af. Ze hakken zijn lichaam in stukken, koken hem in een ketel, roosteren hem aan het spit en eten hem op. Om deze barbaarse daad te bestraffen, treft Zeus de Titanen met een bliksemflits. Uit de as, vermengd met aarde, wordt de mens geschapen.


De mens bestaat kortom deels uit de resten van barbaarse Titanen, wat zijn domheid verklaart, en deels uit de resten van het godenkind waarmee de reuzen zich hebben gevoed, wat zijn bezit van logos, rede verklaart.
De gevaarlijke combinatie van domheid en intelligentie is in de mythe vertaald in twee tegenstellingen:
 Het monsterlijke van de Titanen schuilt niet zozeer in hun barbaarsheid, maar in de beschaafde manier waarop ze barbaars zijn: ze lokken het kind met fraai speelgoed en bereiden het culinair als fijnproevers.
 De mens dankt zijn wijsheid aan een barbaarse daad.

De sekte
In de Gouden Tijd leven mensen en goden nog in harmonie, volgens Hesiodus. Daar komt een eind aan met een twist over de verdeling van de offerstier. Een titaan, Prometheus, verzint een list: de goden krijgen de botten en het vet, de mensen het vlees. Het offer maakt de communicatie mogelijk: voor de goden de geuren van het verbrande vet, voor de mensen het vlees, voedsel dat ze wijst op hun sterfelijkheid, omdat ze ervan moeten leven. Ze eten het vlees in eerste instantie rauw, tot Prometheus het vuur van de goden steelt en aan de mensen schenkt.
Het politiek-religieuze systeem van de stadstaat, de polis, berust op de relatie tussen goden, mensen en dieren. Wil de mens zijn plaats in de orde veiligstellen, dan moet hij dieren eten en offeren aan de goden. Maar de orfici, aanhangers van een religieuze sekte, weigeren bloedoffers te brengen aan de goden, reden waarom ze geen rol spelen in de staat. Hoe vegetarisme te bepleiten in een samenleving die het in hun ogen ‘barbaarse’ vleeseten ziet als voorwaarde voor beschaving?

Culinaire tips
Er zit een merkwaardige culinaire kant aan het verhaal.

Hoe kan het dat een mythe over het kannibalisme zo’n belangrijke rol speelt in het leven van een vegetarische sekte?
Waarom roosteren de Titanen het vlees van het slachtoffer nadat ze het hebben gekookt? De offerprocedure wijkt zozeer af van de Griekse traditie dat er een aristotelisch probleem (III) aan is gewijd: ‘Waarom is het niet toegestaan het gekookte te roosteren, terwijl het geroosterde wel mag worden gekookt?’

Volgens een komedie van Athenion uit derde eeuw v.Chr. houdt de beschaving gelijke tred met de culinaire ontwikkelingen. De geschiedenis van de mens begint met rauw kannibalisme en eindigt met ragout. Koken onderscheidt de beschaafde mens van de bradende kinkel. Plato stelt het geroosterde en het gekookte tegenover elkaar als de primitieve staat en de beschaafde maatschappij (Republiek). Alleen de wachters van de stad krijgen gegrild voedsel, opdat ze wakker als waakhonden zullen zijn.
Het offer van de Titanen lijkt op dat van de mensen; in het officiële bloedoffer wordt het dier om toestemming gevraagd. En ook de Titanen geven hun slachtoffer, Dionysos, geschenken om hem te kunnen kelen zonder dat hij een kik geeft. Maar wie gekookt vlees braadt, ondermijnt de culturele ontwikkeling.

De plaats van de mens in de orde
De orfische mythe leert ons dat de mens ieder bloedoffer moet weigeren, omdat het ritueel niet een band met de goden schept, maar de herhaling is van een misdaad die voor de mens de poort naar de cyclus van geboorte en dood opent. Zo is het een variant op de zondeval. Ieder mens bezit een goddelijke vonk, maar is ook met de erfzonde van vleeseten belast. De mens dient zijn titanische herkomst te erkennen en het goddelijke element te zuiveren dat in hem zit.
Maar je kunt het ook omdraaien en erkennen dat de mens zijn intelligentie (logos) heeft ontwikkeld in zijn pogingen greep te krijgen op zijn domme, titaanse kern. Immers, zonder bloedoffer zou er niet eens sprake zijn van de mens.
Die domme kern wordt ook wel oistros genoemd, wat zowel prikkel als horzel betekent; denk ook aan oestrogeen. Het gaat om irrationeel gedrag, razernij, dolheid, een gekte die niet natuurlijk is, want zelfdestructief, en nog niet cultuur, want ongetemd. Plato verwijst in de Wetten [701 c] naar mensen die ‘hun oude Titaanse aard tonen’; elders verwijst hij naar de neiging tot heiligschennis die ‘noch van de mens noch van god’ komt, maar uit ‘oudere misdaden die niet door de mens zijn te zuiveren’. [854 B]

De mannen van gips; wat is de rol van de aarde?
De Titanen hebben zich ingesmeerd met gips, een stof die wordt geassocieerd met de witte as die ook bekend staat als ongebluste kalk, ‘titanos’. De reuzen vermommen zich kortom met de substantie die hun identiteit verraadt.


Titanen zijn ‘autochtonen’, geboren uit de aarde. Ze zijn verwant aan de goden, omdat ze aan het menselijk ras voorafgaan; maar ook verwant aan de mensen die in veel scheppingsverhalen uit de aarde klimmen of worden geboren onder de vingers van een kleiende godheid als Prometheus. (Uit klei gemengd met tranen, volgens Aesopus.) Afrikaanse stamleden smeren zich in met witte klei en as om te veranderen in bovennatuurlijke wezens bij de overgangsrite naar volwassenheid. Ook de naam ‘Adam’ verwijst naar rode aarde. De schepping is een bezigheidstherapie voor eenzame goden.

Herkomst
De Zagreus-mythe is pas in de negentiende eeuw gefabriceerd na de ontdekking van
de ‘gouden tabletten van Thurii’ in 1879. Uit de cryptische fragmenten die zouden dateren uit de zesde eeuw voor onze jaartelling is een christelijke interpretatie van de orfische mythe verzonnen: zonde, wederopstanding, boete zijn basiselementen die ten grondslag liggen aan alle mysterie-religies, evenals de tweedeling tussen dierlijke driften en een goddelijke geest. Allemaal pogingen om in het reine te komen met de idiotie van ons bestaan.

www.matthijsvanboxsel.nl

De Boerenzuil van Dürer

Capita Selecta uit De Topografie van de Domheid

Een boer met een zwaard in zijn rug zit hoog op een zuil die is samengesteld uit een omgekeerde reuzelpot, een hoenderhok, een graanschoof die is samengebonden door een schop, schoffel, mestvork en dorsvleugel, een melkkan, een botervat, schotel, kaasketel en een haverkast, gestapeld op een vierkanten sokkel van steen met in de hoeken manden vol eieren, kaas en brood. Runderen, zwijnen en schapen liggen rondom. ‘De buit van de overwinnaar.’ 

De handleiding voor de Boerenzuil staat in een wiskundeboek voor kunstenaars, Unterweysung der Messung mit dem Zirckel und Richtscheyt (1525), van Albrecht Dürer: ‘Het gebeurt vaak dat als men in de slag het veld verovert, een herdenkingsteken of een zuil opricht op die plaats waar men de vijanden heeft verslagen, om eraan te herinneren wat voor mensen het geweest zijn die men overwonnen heeft.’ 

Naast de boerenzuil, die 8,5 meter hoog is, tekent Dürer een ‘herdenkingszuil voor de overwinning op machtige vijanden’, opgebouwd uit mortelkanonnen met een kruitvat aan de voet, gekroond met schilden, harnassen en versierde helmen, die twee keer zo hoog is als de boerenzuil, en een kleiner ‘Grafteken voor een dronkenlap’, opgebouwd uit wijnvaten, ‘voor de lol’. 

Tussen zuilen van ontzag en spot staat de boerenzuil die de gruwelijke boerenoorlogen in Duitsland memoreert. 

Boerenmonument

Gedenktekens voor boeren zijn in die tijd zeldzaam. Het eerste monument dat de boerenoorlog beziet uit het oogpunt van de overwinnaar, is de marktfontijn in Mainz uit 1526, een geschenk van keurvorst Albert (vijand van Luther en vriend van Erasmus). Het monument herinnert zowel aan de overwinning van het keizerlijke leger onder Karel V op de Fransen bij Pavia, en aan de onderdrukking in 1525 van de boerenopstand in Duitsland; kortom aan een overwinning op de vijanden buiten en binnen de grenzen. Een dronken boer met een rode haan staat onder het motto ‘Gedenk het einde’ naast een zandloper en een doodskop. 

Maar de Boerenzuil is geen ‘schandbeeld’ (pittura infamante) of ‘colonna infame’, een zuil die herinnert aan de schande van een persoon. Is de zuil nu ernstig of ironisch bedoeld? ‘Wie een zegeteken wil oprichten omdat hij de opstandige boeren heeft overwonnen, kan daarvoor het volgende materiaal gebruiken, zoals ik u zal leren.’ Aan een reuzelpot of botervloot kun je geen roem ontlenen. Ze maken de macht van de boeren bespottelijk, maar ook de adel die zulke trofeeën heeft veroverd. De zege is geen triomf, maar een vernietiging van vreedzame en nuttige arbeid. 

‘Plaats er een treurende boer op, die met een zwaard is doorboord.’ De houding van de boer, met het hoofd in de hand, zinspeelt op de man der smarten die rust op de weg naar Golgotha, ‘Jezus op de koude steen’, of op Melancholia, prenten die Dürer in 1514 heeft gestoken. Zo wordt het lot van de boer betrokken op de lijdensweg. Het zwaard in de rug getuigt niet van een eervolle overwinning van de vorsten, maar van het verraad dat een eind maakte aan de strijd. Of wijst het naar Luther die Matheus 27,52 citeert: wie het zwaard hanteert zal door het zwaard sterven? Dan is het monument een waarschuwing aan de boeren.

De sake

Is het een aanklacht tegen de opstandige boeren of tegen de meedogenloze vorsten? We weten niets van de politieke opvattingen van Dürer. Tijdens de boerenoorlog tekende Dürer het portret van de vrouw van de markgraaf die gruwelijk wraak nam op de boeren. Ook maakte hij prenten van gewapende boeren, met gehavende kleding, waarin sommigen de ‘eerlijke handarbeider’ herkennen, en anderen de fysiognomie van de achterlijke plattelander. Overigens was het boeren sinds 1152 verboden wapens te dragen.

De burgerij wilde de boeren te vriend houden, die in het voedsel voorzien, maar ook de feodale machten die de orde handhaven. Vaak speelde ze een bemiddelende rol. Onder het mom van een religieuze strijd werden de boeren betrokken in de barbaarse conflicten van de adel. De boeren protesteerden tegen de belastingen van de vorsten; een opstand bedreigde de inkomsten van de stad. Maar de stadsraad van Neuremberg wilde geen partij kiezen. De feodale heren verweten de stad de opstand te hebben aangemoedigd door het lutheranisme toe te staan. Bovendien hadden burgers aan de oorlog verdiend door de levering van proviand, wapens en munitie. 

Maar de sake betrof niet alleen de strijd tussen boeren en adel, ook de burgerij was verdeeld tussen patriciërs, die zich adellijke trekjes begonnen aan te meten, en de arme handwerkslieden die geen politieke invloed hadden en sympathie toonden voor de opstandige boeren. Dürer belichaamde het conflict: hij was handarbeider, maar kreeg door zijn rijkdom een plaats in de raad van de ‘Genannten’. 

Proporties

De boerenzuil getuigt van medelijden, maar niet van solidariteit; hij lijkt eerder de excessen aan te klagen, het geweld van de boeren en dat van de adel. Dürer lijkt geen partij te kiezen: de zuil is geen antwoord, maar een belichaming van de sake. Hij confronteert de toeschouwer met de conflicten van zijn tijd. Het is een evident absurd monument dat de onmogelijkheid van de standenorde tastbaar maakt.

De zuilen voor een held, een dronkenlap en een boer maken deel uit van een verhandeling over proportieleer; alsof de verhoudingen in de feodale pyramide worden bestudeerd. Dürer staat stil bij de exacte proporties van het beeld. Maatverhoudingen staan in dienst van een harmonische schoonheid. Maar de Boerenzuil is buiten proportie: pas als we de losse afbeeldingen van de zuil en de sokkel op elkaar plaatsen, zien we het enorme formaat van de boer waaronder het beeld zou bezwijken. Zo zijn er meer ongerijmdheden. Aan de maatindeling ontsnapt ook het zwaard dat in de rug steekt. De zuil geeft vorm aan het conflict. 

Ook Arcimboldo voegt in zijn portretten heterogene onderdelen samen die echter een eenheid blijken te vormen in het gelaat van de vorst als belichaming van het rijk of de seizoenen. Maar de archimboldeske van de landbouw is een ‘getrouwe afbeelding van een verbijsterend monster, dat boeren hebben gezien’ (1567).

Volgens Heath Robinson hebben de boeren het onheil aan zichzelf te wijten.

www.matthijsvanboxsel.nl

Schijt uw tijd

De menselijke zonnewijzer

Uit: De Topografie van de Domheid

Op de ‘Menselijke zonnewijzer’, een houtsnede van Peter Flötner (ca. 1490-1546), ligt een man ruggelings met zijn handen onder zijn gespreide bovenbenen waarop Romeinse cijfers in een halve kring, aan weerszijden van de ondergescheten reet, de uren aangeven. Boven zijn hoofd staat een halve zon. De voeten liggen op een zandloper en een opengeklapte zonnewijzer. Wij staren recht in zijn aars waar een gnomon uit steekt die in een hoek naar zijn mond leidt. De beide helften van de zandloper zijn van stront. Vooraan troont een enorme drol op een kussen.

Het vlugschrift van Flötner was een reactie op het uurwerk dat de dagindeling begon te bepalen. In een allegorie van de Vraatzucht is het leven gereduceerd tot voeding en ontlasting, getuige de gnomon die reikt van mond tot aars. De maffende vreetzak, een bewoner van Luilekkerland, ziet zichzelf als de maat der dingen. Hij schijt op de tijd. De door het uurwerk bepaalde normen en regels zijn even nietig als de schaduw van de gnomon die zijn aars voorbijtrekt. Hij vreet, dut en kakt als het hem uitkomt. Net als in de befaamde melancholie-voorstellingen, staat het instrument van de precisie, de zonnewijzer, naast tekens van vergankelijkheid. Het verloop van de tijd, gemeten door de zandloper, blijkt in kak gemeten.

P.S.: Op de klokketoren van de beurs van Berlage in Amsterdam staat ‘BEIDT UW TIJD”. De tempel van het kapitalisme is ontworpen door een socialist die droomde van een gemeenschapshuis. Nu het vertrouwde bidden uit de mode is, staat de klokketoren niet langer in dienst van het vertrouwde ‘ora et labora’, maar in dienst van de arbeid. In reactie hierop klinkt ‘SCHIJT UW TIJD”.

www.matthijsvanboxsel.nl

Het schandmasker

Uit: De Topografie van de Domheid

Na zijn veroordeling wegens lokaalvredebreuk kreeg de spotter een masker van ijzer en leer over zijn hoofd getrokken in de vorm van een groteske narrenkap met belletjes. In de knevel zat een fluitje zodat zijn ademhaling ieders aandacht trok. Volgens Oostenrijkse processtukken werd de misdadiger vervolgens aan een ketting door de straten van Linz gevoerd naar een plein waar hij aan een paal werd gebonden. Zo werd de spotter bespot.

Van de Middeleeuwen tot de zeventiende eeuw werd in Europa een schandmasker gebruikt om wangedrag te openbaren en te bestraffen. Iemand die zich als een zwijn gedroeg kreeg een zwijnsmasker, een veelvraat kreeg een varkenssnuit met eikenloof, de brutale opschepper kreeg een helm met gewei of een blikken vlaggetje vol tanden. In de spiegelstraf onthult het masker het karakter.

Ornamenten illustreerden het vergrijp: grote oren voor een luistervink, een lange tong voor een roddelaar, een snavel voor twistzieken, een bril voor nieuwsgierigen. Soms was het masker voorzien van een metalen plaat vol spijkers die de tong ‘in toom’ moest houden. Anders dan de schandpaal waar de veroordeelde voor iedereen herkenbaar was, maakte het schandmasker iemand anoniem. Uiteraard werd snel bekend wie er achter het masker zat, maar het ging in de eerste plaats om de blazoenering van een slechte karaktereigenschap.

De overgeleverde maskers zijn tentoongesteld in het Kriminalmuseum in Rothenburg ob der Tauber. Het schandmasker maakte plaats voor de fysiognomie: het uiterlijk werd gezien als een masker dat het innerlijk weerspiegelt; de lijnen en formaten van het gelaat brachten de zondige domheid in kaart. Ieder gezicht was zijn eigen persona.

www.matthijsvanboxsel.nl

Onocentaurus Neerlandicus

Uit: De Topografie van de Domheid

Leo Belgicus

Karel V had zijn Bourgondische erflanden willen verenigen in een Regnum Leonum, een Leeuwenrijk, omdat elf van de zeventien provincies een leeuw in het wapenschild voerden, zoals Brabant, Limburg, Holland, Henegouwen, Zeeland, Namen en Luxemburg. Vooralsnog waren de Nederlanden een leeuwenkuil waarin de provincies elkaar naar het leven stonden. 

Ten tijde van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) hadden de meeste Nederlanders geen idee van de vorm en omvang van hun land, laat staan van een gedeelde identiteit. De politieke trouw gold de stad, de kerk en de adelshuizen. 

In 1583 publiceerde Michael von Aitzing de eerste kaart van de zeventien verenigde provincies van de Nederlanden in de vorm van een leeuw, Leo Belgicus. De politieke kaart wilde niet alleen een idee van eenheid geven, maar ook patriottische trots te kweken. 

Opmerkelijk genoeg speelde de leeuwenkaart een rol in de strijd voor onafhankelijkheid van de noordelijke Nederlanden. Gedwongen door de omstandigheden wordt in 1588 de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gevormd, onder het motto ‘Eendracht maakt macht’, met Amsterdam als onbetwiste hoofdstad. Zo was de tweedeling een feit.

Asinus Belgicus: klimmend en gehoefnageld

De onderlinge tweedeling tussen de zuidelijke papen en de noordelijke protestanten verhult twee innerlijke tegenstellingen; enerzijds de strijd tussen de Walen en de Vlamingen, en anderzijds de tweespalt in het Noorden. Niet alleen de ruzie tussen rekkelijken en preciezen, maar ook de strijd tussen het oosten en het westen, stad en land, rijke kooplui en arme boeren. 

In Spaanse fabels wordt de Generaliteitsleeuw die de zeven noordelijke provincies omvat, vergeleken met de ezel uit Aesopus die in het bos een leeuwenhuid vindt en aantrekt. De republikeinse ezel jaagt de dynastieke dieren schrik aan, maar als hij een groep soldaten met gebrul op de vlucht wil jagen, verraadt zijn gebalk hem. In een variant worden zijn oren hem fataal. (Asinus Belgicus; provocans, conterens, demetens fastuosum [enz.], 1586).

Onocentaurus Neerlandicus

De Onocentaurus Neerlandicus, letterlijk: de Nederlandse ezelcentaur, is een dier uit middeleeuwse bestiaria, deels mens deels ezel. In dit liminale wezen wordt de strijd tussen mens en dier, cultuur en natuur uitgevochten. 

Curious creatures in zoology; London :John C. Nimmo,1890. http://biodiversitylibrary.org/page/23574838

Het dier wordt het eerst genoemd door Pythagoras ten tijde van Ptolemaeus II Philadelphus. Claudius Aelianus (derde eeuw) schrijft: 

‘Zijn lichaam lijkt op een ezel, zijn kleur is asgrijs maar neigt onder de flanken naar wit. Het heeft een menselijk borst met spenen en een menselijk gezicht omringd door dik haar. Het kan zijn armen gebruiken om dingen te grijpen en vast te houden, maar ook om te rennen. Het heeft een gewelddadige aard en verdraagt geen gevangenschap.’ (De Natura Animalium)

In de Tenach wordt de onocentaur twee keer genoemd. Jesaja 13,22: ‘onocentaurs zullen er zich vestigen en stekelvarkens nestelen in hun huizen. Het uur heeft geslagen, en wacht niet.’ En Jesaja 34,14: ‘en geesten stuiten op de onocentaurs die naar elkaar huilen, en die zullen stoppen omdat ze rust hebben gevonden.’ De Vulgaat, de latijnse vertaling van de Septuagint door Hieronymus, volgt deze interpretatie: ‘et occurrent daemonia onocentauris et pilosus clamabit alter ad alterum ibi cibavit lamia et invenit sibi requiem’. Het Hebreeuws letterteken spelt ‘eilandbeest, hyena, jakhals’ en ‘satyr’. John Wycliffe vertaalt ‘wondurful beestis, lijk men in the hiyere part and lijk assis in the nethir part’.

Allegorisch staat de onocentaur voor mannelijke lust; de tweeledige aard van het beest symboliseert de hypocriet die het goede predikt en het slechte doet. Philippe de Thaon zegt dat de mens een mens mag heten als hij waarheidlievend is, maar een ezel als hij kwaad doet.

In de Monstrorum historia van Ulissis Aldrovandi (1522-1605), staat een overdwarse onocentaur afgebeeld, met drie armen, getekend door Nicola Tebaldini (Bologna 1642).

Morosofie: de Nederlanden zijn in zichzelf gespleten; het gaat er niet om dat de domheid de beschaving bedreigt, de cultuur heeft zich gevormd in de permanente worsteling met de eigen domheid.

www.matthijsvanboxsel.nl

De sferische methode en de bamboebol

De sferische methode en de bamboebol

Uit: De Topografie van de Domheid

Retoricastudenten aan de universiteit van Harvard moesten een bamboe wereldbol over hun hoofd trekken om gebaren te oefenen waarmee ze hun argument kracht bij konden zetten.

Aristoteles raadt het gebruik van gebaren af; Cicero meent dat gestiek thuishoort in het theater. Maar Quintillianus ontwikkelt een universele gebarentaal die via het hoofd, gezicht, wenkbrauwen, en zelfs de neusgaten sprak. Met de herontdekking van Institutio oratoria in 1416 begon de chirologie, de bewegingstudie. Hoe kunnen gebaren de woorden kracht bijzetten of ironiseren? 

Giovanni Bonifacio meende (1616) dat hoofd, armen, handen, vingers, nagels, borst, middel, genitalieën, knieën en voeten allemaal iets te vertellen hebben. 

John Bulwer, uitvinder van het vingeralfabet, ‘vriend van de doofstomme’, noemt het gebaar ‘de enige taal die de mens eigen is; het is de tong en algemene taal van de menselijke natuur die, zonder onderwijs, mensen in alle regionen van de bewoonde wereld op het eerste oog het makkelijkst verstaan.’ (Chirologia 1644) 

In de introductie tot zijn invloedrijke Chironomia (1806) schrijft Gilbert Austin: ‘Het is niet de genius van het volk van Groot-Brittanië om te gebaren: het zijn ernstige mensen. Om voortdurend de lucht te zagen is absurd.’ Priesters en politici zijn sprekende standbeelden. De woorden hebben behoefte aan de ‘majesteit van de hand’. De Engelsen waren onwelsprekend in hun gebaren. Mogelijk ligt het aan het klimaat; de Engelsen zijn flegmatisch, maar gebarentaal kan het spreken kracht bijzetten, mits beheerst door rationele principes. Austin zoekt ‘het rationele midden tussen expressiviteit en zelfbeheersing’, en waarschuwt voor slecht toneel. 

Ook introduceert hij de ‘sferische methode’; de spreker treedt een denkbeeldige sfeer binnen met een zenit, een horizon en een nadir; gestippelde lijnen omringen de spreker als een korf van meridianen en parallellen. 

Door de armen te wuiven, vegen, weren, trekken, werpen en draaien beschrijven ze in deze geometrische arena woede, wanhoop, vertwijfeling, enthousiasme. Een apart hoofdstuk handelt over de manier om anderen te bespotten.

Met letters poogt hij de gebaren tot een code te herleiden. Vier letters geven de positie van de hand aan, het heffen van de arm, de richting van de arm, en de kracht van het gebaar. Zo betekent  phfd: prone horizontal forward descendingseqn btekent supine elevated oblique noting. Vaak wordt de laatste letter vervangen door drie letters voor de linkerhand; phq—pdb, betekent volgens een ingewikkelde tabel die de spreker eerst moet raadplegen prone horizontal obliqueprone downwards backwards. Een hoofdletter aan het begin van een zin fixeert de positie van het hoofd en de richting van de blik. Een andere reeks symbolen geeft aan waar de spreker zijn voeten moet plaatsen. Zo opereert het hele lichaam in een bol, als de vitruvische mens van Da Vinci. Een aantekening in de kantlijn wijst op het volume, de snelheid of de onderbreking van de stem. Austin past de gebarentaal toe op het voordragen van een rede van Brutus uit Julius Caesar. Met als gevolg een klungelig articulerende automaat, een gemechaniseerd monster. In paniek zwaaien zijn armen langs de coördinaten van niet eerder gekarteerde gebieden.

Op basis van de theorieën van Austin construeerde Dr. Jonathan Barber de bamboebol (Practical Treatise on Gesture 1831) die niet mag ontbreken in een Topografie van de Domheid. Studenten hebben een korte bijlage geschreven, De gestibus est disputandem (1833), waarin ze met behulp van de bol gebaren noteren om anderen te beledigen: het wijzen naar het voorhoofd met de rechterwijsvinger, het slaan met de hand tegen het voorhoofd, het steken van de duim tussen wijs- en middelvinger (‘de vijg’), of het draaien van de hand rond het linkeroor. Ook het ‘argument’ van Panurge passeert de revu. In hoofdstuk 18 van Rabelais’ Pantagruel (1532) lezen we dat de Engelse geleerde Thaumastus (‘De bewonderenswaardige’) naar Parijs komt om over de waarheid te discussiëren met gebaren, ‘omdat deze kwesties zo moeilijk zijn dat menselijke woorden niet toereikend zijn om ze bevredigend te verklaren’. Een gebarendiscussie eindigt ermee dat Panurge beide middelvingers in zijn mond stopt: ‘Vervolgens trok hij zijn mond zo wijd mogelijk open, waarbij al zijn tanden bloot kwamen, en met zijn twee duimen drukte hij zijn oogleden zoveel mogelijk naar beneden.’ Thaumastus prijst Panurge: ‘Et ecce plus quam Solomon hic’.

mvanboxsel@xs4all.nl

Vader, zoon en de heilige ezel

Uit: De Topografie van de Domheid

Excursie: Vader, zoon en de heilige ezel

Een boer en zijn zoon lopen met hun ezel naar de markt. Een passerende boer roept: ‘Dwazen, een ezel dient om erop te rijden.’ Als de vader op de ezel zit, verwijt een omstander hem dat het wreed is zijn zoon te laten lopen. Als de zoon zijn plaats inneemt, menen voorbijgangers dat het kind geen respect toont voor de vader. Als vader en zoon beiden op de ezel zitten worden ze beschuldigd van dierenmishandeling. Vervolgens dragen ze getweeën de ezel over de weg. De spot is nu algemeen. Op een brug glijden ze uit en verdrinkt de ezel in de rivier. In een variant slaan ze de ezel dood.

Bij Hans Sachs zijn de critici gespecificeerd: een soldaat, een oude vrouw, een boer, bedelaar, edelman en jager. Alle standen reageren anders op de kwestie. De ezel materialiseert de sluimerende sociale tweespalt. (Afbeelding Corn. Anthonisz)

 

Hodja Nasreddin zegt tegen zijn zoon: ‘Als jij ooit in het bezit komt van een ezel, trim zijn staart dan nooit in de aanwezigheid van anderen. Sommigen zullen zeggen dat je er teveel afsnijdt, anderen te weinig. Als je iedereen wilt behagen eindig je ermee dat de ezel uiteindelijk geen staart meer heeft.’

De oudst bekende versie van het verhaal staat in een bundel van Ibn Said (1212-1286) uit Andalusië, onder het motto: ‘Behaag iedereen en je zult niemand behagen.’ Of zoals Jean de La fontaine het zegt: ‘Je kunt niet iedereen behagen en ook nog je broer’. Streef je doel na, ongeacht kritiek of applaus. Een allemansvriend is iemand die met alle winden meewaait, een draaikont, een twijfelaar. Allemansvriend is allemansgek. (Afb. Erhard Schön)

Volgens de Van Dale is een ‘allemansvriend’ een mens of dier zonder vijanden. In de keuken is een aubergine een allemansvriend, omdat hij bij ieder gerecht valt te serveren. De term wordt ook gebruikt voor bruggenbouwers, mensen die alle standpunten respecteren in hun besluit. 

Maar hier duikt al een grens op: want hoe zit het met mensen die geen bruggen willen en die allemansvrienden niet lusten? Hoe zit het bovendien met het geprivilegieerde standpunt van waaruit je iedereen kunt omhelzen? Wie iedereen te vriend wil houden, zal door niemand worden gerespecteerd. Zoals het spreekwoord wil: Goed is goed, maar al te goed is allemans zot. (‘Göd is göd, mar altögöd is Allermanns Narr.’) Of: Al te goed is buurmans gek. Zo staat de allemansvriend alleen.

Opnieuw moeten we de zaak omkeren: juist als allemansgek is hij een allemansvriend. De allemansvriend is niet degene die alle tegengestelde partijen overkoepelt, de heterogene vijanden vinden elkaar in hun collectieve bespotting van de allemansnar.

beeld in Gouda van Richard Broekhuijzen

PS: Soms is het aan te raden een ezel te dragen, zo mag blijken uit een foto uit de Tweede Wereldoorlog. Een soldaat draagt een ezel door een mijnenveld om te voorkomen dat het dier op een mijn stapt met de dood van alle soldaten tot gevolg. Maar nee, dat is een fabeltje. De foto dateert van 1958, tijdens de Algerijnse onafhankelijkheidsstrijd tegen Frankrijk. De stervende ezel werd gered door een lid van het Vreemdelingenlegioen, opgeknapt op de basis en als mascotte van de 13e brigade geadopteerd onder de naam ‘Bambi’. Het Legioen kreeg een medaille van de Amerikaanse Vereniging voor het Voorkomen van Geweld tegen Dieren. De ezel was dol op bier.

www.MatthijsvanBoxsel.nl

Het seminarie van de domheid

Uit: De Topografie van de Domheid

Robert Burton citeert Balthasar Castiglione die in Het boek van de hoveling (1528) spreekt over het ‘zaad van de domheid’ dat zich bij ieder mens anders ontwikkelt: de een toont zijn domheid in zijn poëzie, de ander in de muziek, weer een ander in de liefde of in de dans of in Moorse pantomime, ‘ieder naar het ertsader van het metaal dat zijn gestel beheerst’ (Boek I). Burton spreekt zelfs over een seminarium stultitiae, de mens als een zaadbank van de domheid. 

‘Het is een aangeboren ziekte in ieder van ons, er is een seminarium stultitae, een seminarie van domheid, “dat eenmaal opgekweekt oneindig en oneindig gevarieerd voortwoekert, aangezien we er aan verslaafd zijn”, zegt Balthazar Castilio: en het valt niet simpelweg uit te roeien, het schiet zo snel wortel, zoals Tullius meent, altae radices stultitiae [diep zijn de wortels van domheid], zo kwamen we ter wereld en zo gaan we voort.’ 

(The anatomy of melancholy)

Het dolen begint bij de geboorte (primaque lux vitae prima erroriserat). De ontwikkeling van de domheid loopt parallel met die van de mens. Domheid valt niet uit te roeien zonder ook de mens uit te roeien. Let wel: Burton maakt een onderscheid tussen de passieve onwetendheid en de actieve dwaling (‘error’):

‘Sommigen menen dat ons verstand [‘wit’] twee tekorten kent: dwaling en onwetendheid, waar alle anderen toe zijn te herleiden. Door onwetendheid kennen we niet de noodzakelijke feiten, door dwaling kennen we ze verkeerd. Onwetendheid is een gebrek, dwaling een positieve daad. Uit onwetendheid volgt zonde, uit dwaling ketterij enz. Maar hoeveel soorten je ook vindt, verdeeld en onderverdeeld, weinigen zijn er vrij van, of zijn niet geraakt door de een of andere soort.’ 

De dwaling kent een ontwikkeling. De wereld ‘die toch door het verstand van de jaren wijs zou moeten zijn, semper stultizat, zoals Hugo de Prato Florida zei, “is iedere dag dwazer dan de vorige”’. Domheid is een kracht die zijn eigen werkwoord krijgt.

Chavignolles

Uit De Topografie van de Domheid: Chavignolles

In augustus 1873 maakt Flaubert voor zijn roman Bouvard et Pécuchet een oriënterende reis door Normandië om ‘een bepaald landschap te ontdekken dat ik in mijn hoofd heb’. Hij wil ‘nauwgezette literatuur’ schrijven. ‘Ik heb behoefte aan een dwaas oord te midden van een mooie landstreek, en in die landstreek moet men geologische en archeologische wandelingen kunnen maken (…)’.

In juni 1874 vertrekt hij opnieuw, nu in het gezelschap van zijn vriend Laporte. Enthousiast keert hij terug: ‘Ik zal Bouvard en Pécuchet plaatsen tussen de vallei van de Orne en de vallei van de Auge, op een stompzinnig plateau tussen Caen en Falaise’. In de klassieke retorica voorziet de ‘topografia’ in het argumentam a loco: uit de aard van de plaats (klimaat, grondsoort, ligging) volgt het bewijs voor de domheid van de inwoners. Volgens de humorale theorie van Galenus danken de inwoners van Boeotië hun domheid aan het droge klimaat. Het gebrek aan jodium in het drinkwater van de Alpen leidt tot de bergziekte die gepaard gaat met achterlijkheid. (Omgekeerd lachen Kropdragers uit het Zwitserse Isny ‘abnormale’ buitenstaanders uit om hun ‘gebrek’.) Volgens de astrologie wordt iedereen dom geboren die het licht ziet onder de zestiende graad van Leo. De retorische ‘topothesia’ beschrijft een denkbeeldige plaats die de domheid van de inwoners weerspiegelt. De epische domdaden spelen zich bij voorkeur af op het platteland, op zand, turf, ijs, modder, een hellend vlak. Favoriete monumenten zijn de put, de kerk en het stadhuis. De geliefde boom is de notelaar. In het bestiarium stupidum huizen de ezel, de koekoek en de muishond. Rekwisieten zijn de botte bijl, een molentje en een mesthoop. En dit alles staat in het teken van de maan, de tong en het zout.

Flaubert verheft een bestaande plaats tot een denkbeeldig oord, de plaats wordt een gemeenplaats: in Chavignolles zal hij de grenzen van de domheid bestuderen: ‘Het lijkt mij toe dat ik me ga inschepen voor een zeer grote reis, naar onbekende regionen, en dat ik niet zal terugkeren’ (29 juli 1874). Als een regisseur ziet Flaubert het landschap voor zich: ‘Plateau van Mutrécy. Met Caen links: een dorp uiterst links. Rechts tegenover, aan gene zijde van de Orne stijgt het terrein licht, klein bos, weiden, met hier en daar bomen. Precies er tegenover de binnenweg die komt van de route van Caen. Rechts, de leistenen daken van het dorp. De rivier ziet men niet. Op de voorgrond twee (grote) eenzame essen.’Zijn ‘oog voor de domheid’, het vreselijke talent om zelfs in bomen, tuinhekken en zonsondergangen de domheid te herkennen, komt hem dit keer van pas. De domheid van het landschap provoceert de domheid van de bezoekers; niet alleen doemt hij de archeologie, topografie, streekgeschiedenis, land- en tuinbouw tot mislukken, hij legt ook de domheid van alle stadse methoden en theorieën van Bouvard en Pécuchet bloot. De plaats voldoet aan de idee die Flaubert a-priori had van een domme plek. Er bestaat kortom een harmonie tussen zijn vooroordeel en het landschap. Na een tocht vol ontberingen bereiken Bouvard en Pécuchet, net als Flaubert, het paradijs van de domheid. De roman is nimmer voltooid, er resten slechts brokstukken.